Open brief aan onze Vlaamse Onderwijssector

Hey, ik behoor tot een risicogroep! Hoera! Sinds 8 jaar kanker, 8 jaar ononderbroken chemo, wandelend mirakel! Gaat corona roet in het eten gooien? Who knows…

Vergeef mij mijn – vanuit mijn eigen situatie – wat aparte kijk op de dingen momenteel…

Dit is een zeer ernstige situatie, waar nog steeds onvoldoende mensen de toestand ernstig nemen. Misschien gaat het maar doordringen als mensen in de directe omgeving ziek worden en desgevallend sterven…

Ik moet niet herhalen wat zoveel instanties al herhaald hebben, tot vervelens toe. Was je handen, houd afstand… Blijf binnen. 

Mijn kwaadheid over de domheid van de vrijdagavond-afscheidsfuiven is een beetje gezakt, omdat ik denk: ach, ze weten niet beter. Terwijl het mensenlevens kan kosten. Mensen die minder geluk hebben dan ik, als het om immuniteit gaat. Maar ja, de mens blijft een mens… Wat is gebeurd, is gebeurd…

Ik heb echter een paar bedenkingen voor de overheid, en onze “instituties”. Ik hoor de hele dag niks anders dan politici die zeggen voor de camera’s:  “first things first”. Mja. Kinderen thuis houden, het onderwijs valt stil voor drie weken. En wat gebeurt er? Na een paar dagen hoor ik dat de kinderen in ons onderwijs toch – oeioeioei – die eindtermen moeten halen, dat ze thuis taken moeten doen, dat scholen bakken richtlijnen sturen aan de ouders om hun kinderen in dat leerproces te begeleiden. 

WTF?? Dus: mensen moeten telewerken, ondertussen hun kinderen de hele dag bezighouden, begeleiden in schooltaken, eten maken, nieuwe leermethoden-op-afstand leren, ondertussen hun eigen veranderde situatie aanleren, en dan nog eens alle voorschriften naleven. 

En dan – echt waar – ouders uitnodigen om naar de school te komen om bundels lesstof op te halen om thuis te verwerken… Gaan ze die bundels ontsmetten dan? Ouders apart laten binnenkomen? Latex handschoentjes aandoen bij de overhandiging?

Jongens, wat een bekrompen Vlaanderen is dit? Ik heb zelf geen kleine kinderen meer, en ik ben ziek, dus ik blijf in deze buiten schot. Maar hoe belachelijk is dit?! Moeten al die leerkrachten, onderwijzers, verplegers, zorgkundigen dat allemaal ineens tot een goed einde brengen? Drie weken thuis zal heus geen idioten maken van onze scholieren… First things first.

In plaats van de belasting op ouders te verhogen, zou men beter de aandacht richten op aangenamere en nuttiger methoden om deze periode door te komen. Het kost al energie genoeg om je constant bewust te zijn van al de nieuwe maatregelen die je in acht moet nemen. Neem daar een job bij, en de gewone opvoedkundige taken, en dan moeten ouders zichzelf ook nog in allerijl gaan omscholen tot fulltime leerkracht???

Komaan. Be real.

In het nieuws tonen ze vanavond gezinnen waar dat allemaal goed geregeld is. Met twee ouders. En wat met alleenstaande ouders? Of co-ouderschappen? Ouders die in vechtscheidingen zitten? Ouders die zelf ziek zijn, of gewoon geen tijd hebben? Wat moeten hun kinderen dan? Terug naar school binnen een maand met een zogenaamde leerachterstand? 

Het zal duidelijk zijn dat ik geen fan ben van ons onderwijssysteem, en de bureaucratie die ermee gepaard gaat. Nooit geweest, never will be. Er gaat meer aandacht naar de papierwinkel dan naar het lesgeven op zich. 

Onderwijssector, stop de regelneverij, en stop met extra belasting te leggen op iedereen die het in deze periode sowieso moeilijk genoeg heeft. Al die mooie woorden en oproepen over creativiteit vind ik volslagen belachelijk. Er is geen ruimte voor creativiteit als “de overheid” alle tijd volstopt met procedures, regels, richtlijnen… “omdat we zeker – oeioeioei – geen drie weken zonder les kunnen”…. 

Het is niet het goeie moment. Ik zou bijna zover gaan om mensen op te roepen zich geweldloos te verzetten tegen het bombardement aan richtlijnen vanuit die hoek. Er zijn belangrijker dingen aan de orde.

First things first, als onze onderwijssector dat nu ook eens snapte…

Triestig, dom Vlaanderen.

Gut….

Hij is nog volop aan de gang, die mooie zomer. Zonnebrand, buiten leven, deuren en ramen open (nu even niet, om de hitte buiten te houden)… Je ziet het aan de mensen. De fleurige kleren, de bruisende stad (Gentse feesten, niewaar), de zwoele avonden…

Spelen met de broertjes in het gezellige Arca gisteren, in een flow zitten, genieten van het spelen, mensen terugzien die je in geen dertig jaar hebt gezien, blijven plakken op het terras, kennismaken met nieuwe mensen, luisteren naar boeiende gesprekken die alleen maar in de zomer, op een terrasje, ontstaan tussen mensen van allerlei pluimage. Even drijven op een wolk van positieve reacties, soms emotioneel zelfs, door onze muziek. Wat moet een mens nog meer?

Mensen vragen voortdurend hoe het nu met me gaat. Ik antwoord naar waarheid: goed hoor, we kunnen spelen, mijn bloedresultaten blijven verrassend goed, de kanker houdt zich gedeisd onder mijn standaard continuë, “voor de rest van mijn leven” chemoschema. Nog steeds onbegrijpelijk hoe dat mogelijk is. Alle reden tot vreugde en genot en “profiteren van de gegeven tijd”. Klinkt schoon eh. En dat is het ook.

En dan de hamer van het besef… Je rijdt in het donker naar huis, geen volk op de baan, in mijn ouwe getrouwe Anna, mijn camper, volgeladen met instrumenten. Denken aan alle schone dingen die er weer gebeurd zijn vanavond. De verbinding die je voelt met zoveel lieve mensen.

Eenzaamheid.

Hoe is het in godsnaam mogelijk? Thuiskomen en je verschrikkelijk alleen voelen in dat lege huis. Nog een slaapmutsje drinken, en je afvragen vanwaar komt dat f*cking klotegevoel van eenzaamheid ? Ettelijke keren wakker worden van de krampen in je benen (leuke bijwerking :/) , terwijl je snakt naar het wegdrijven in de slaap… Wakker worden met datzelfde lege gevoel van vannacht… Is het de sleet die erop komt na meer dan zeven jaar alle fysieke en emotionele hoeken van de kamer te zien? Zit het tussen mijn oren? Is het moeheid? Geen flauw idee… alleen weet je: ik voel het. Je argumenteert in je kop: alles gaat toch goed? We hadden een fantastische avond, stop met zeuren. Wees een keer niet zo zielig. Er zijn zoveel mensen die je helpen dragen…

Maar soms zie en hoor je niks anders dan verhalen over mensen die ook kanker gekregen hebben, zoveel mensen, de laatste tijd. Soms ben je niet zo weerbaar bij de verslagen van al die begrafenissen van mensen die de strijdbijl tegen de ziekte hebben moeten neerleggen. Soms, zoals vannacht, komt de onhoudbare gedachte in je hoofd: er is zoveel ellende achter zoveel gezichten. En die gedachte gaat dan op een troon zitten als een tiran die net een coup gepleegd heeft en niet van plan is zich daar te laten verjagen. Met geweld desnoods. Het leven is toch maar lijden.

Je kan alleen maar uitzieken, denk ik. Het toelaten en dan jezelf weer recht hijsen. Proberen te focussen op de schone dingen, want die zijn door je klotegevoel niet verdwenen, je ziet ze alleen niet meer zo goed… en je hebt het gevoel dat je helemaal alleen de belegering van je vesting moet doorstaan tegen een onverslaanbare vijand. Ergens weet je, dat klopt niet. You never walk alone.

Twee met elkaar vechtende realiteiten… Een strijd vanbinnen. Niet tegen de ziekte op zich, maar tegen wat ze teweegbrengt. En nog zal teweegbrengen.

Nog maar eens luisteren naar Peter Gabriël en Kate Bush dan maar…. Don’t give up. Alles gaat voorbij, ook klotedagen…

Gut, kanker is kut.

Overlevingsgids tegen angst

Er is al veel inkt gevloeid, en er zal er nog veel vloeien over deze tweede “zwarte zondag”. Blijkbaar is “de kiezer” vatbaar voor het prediken van angst door de extreemste partijen. En ik moet bekennen dat ook ik op een bepaald moment een angstreflex moet onderdrukken als ik de resultaten bekijk. Maar is die angst terecht?

Vanuit mijn standpunt gezien is alles nogal relatief, en ik bedenk ook: alles gaat voorbij … Om te beginnen ons leven. De vraag die ik me stel is: laat ik mijn leven beïnvloeden door negativiteit? Het is verleidelijk om je te laten meedrijven met de stroom van onvrede en chagrijn. Maar dat is niet hoe we aan een betere wereld kunnen bouwen.

Er zijn zoveel schone dingen, die in de huidige mediastorm ondergesneeuwd geraken, maar ze zijn er nog. De wijsheid van een kind dat zegt: laten we gaan stappen en lachen naar iedereen die we tegenkomen… Een gezin met 4 kleine kinderen voor laten gaan in de wachtrij aan het stemlokaal, omdat je er een uur moet aanschuiven. Twee auto’s laten voorgaan in het verkeer in plaats van één (en de verrassing zien op het gezicht van de chauffeur). Een winkelkarretje van een ander meenemen om terug te zetten. Een fietser op een gevaarlijke weg supertraag voorbijsteken en de opgestoken hand met een dankjewel terugkrijgen.

Hoe simpel kan het zijn?

Moeten we ongerust zijn over deze verkiezingsuitslag? Misschien wel, maar de angst laten regeren, en je laten verlammen door de polarisering in onze maatschappij, zou een jammerlijke tijdverspilling zijn in dat korte leventje van ons.

We kunnen elke dag , zomaar, gratis, een beetje vreugde rondspreiden. Iemand een knuffel geven, een vrolijke groet hier en daar, een beetje hoffelijkheid in acht nemen in het verkeer, eens vragen hoe het gaat met een ander…. Ook daar zijn mensen vatbaar voor, en de blijheid die je ziet bij de ander, voel je ook bij jezelf…

Dàt zijn de wapens tegen angst en verbittering. Zò kunnen we elk in ons eigen wereldje , en dus ook in de grote wereld, blijven streven naar een vrede- en vreugdevoller samen-leven.

Als je gelooft in de liefde, dan is die niet klein te krijgen, ook niet door zwarte zondagen.

Enter the Void

Een groot deel van onze identiteit wordt bepaald, gevormd, door de mensen rondom ons, onze geliefden, kinderen, vrienden, familie, werk, zelfs de kassierster in de supermarkt waar je regelmatig komt… En er is jezelf, vanzelfsprekend.

Maar wat als je het gevoel hebt dat in je dagelijkse leven je identiteit teloorgaat, leeggezogen door de ziekte en de eenzaamheid die ze meebrengt? Als je de leegte groter ziet worden, terwijl er aan de randen geknabbeld wordt door een eindeloze, troosteloze moeheid die jou uitzuigt?

Morgen is het mijn zevende “verjaardag”. Dat heilige getal. Het is geen leuke verjaardag. Onwillekeurig maak je een balans op van de voorbije jaren. Zoveel gebeurd, zoveel veranderd, zoveel zoeken, zoveel proberen, zoveel zorgen, en ook zoveel zorgen voor… 

Ik ben niet te beroerd om toe te geven dat ik het gevoel heb dat de tank leeg is. Elke morgen proberen iets positiefs te bedenken waarmee je de dag kan kleuren, daar vaak niet in slagen. Vechten tegen de ultieme uitzichtloosheid van het bestaan. De kracht zit altijd in jezelf. Nou, vind die maar. Veel schiet er niet van over. Ik besef dat dat nogal bitter klinkt, maar wààr is het wel.

Een – magere – troost: ik zal niet de enige zijn die door de ziekte stilaan versleten geraakt. Die langzaam maar zeker afdrijft van de “actieve wereld”. Zo vele anderen maken hetzelfde mee, of erger. 

Mijn gevecht is een gevecht om te kunnen blijven geven. Wat heeft het leven voor zin als je niet kunt geven, niet kunt delen? Als je ballon leegloopt en er slechts een lege huls overblijft? 

Ik haat de tristesse, de lusteloosheid, het navelstaren in pathetisch zelfmedelijden, en blijf zoeken naar zingeving, …. het gevecht is nog niet over, het is nooit over zolang je leeft. 

Alleen voel ik me als Major Tom. 

For here

Am I sitting in a tin can

Far above the world

Planet Earth is blue

And there’s nothing I can do

Dan maar weer verbinding proberen te krijgen met ground control, zeker?

Family….

Zaterdagavond, 1 december… De Spil Roeselare. Benefietconcert voor de Palliatieve Federatie, met mijn broertjes… Anderhalf uur spelen voor 800 blije mensen. Als dat geen eten en drinken is voor het hart…

In de inleiding wordt ons Moe vernoemd, die aan de basis lag van ons zalige familiegevoel…en dat leek mij een passend eerbetoon. Maar ik dacht… ze vergeten iets: ons vader zit ook in de zaal, met zijn lief, mijn “tweede moeder”, en zij zorgen er NU voor dat de erfenis levend blijft. They also deserve credit for that… 

Ik voelde me een wrak, voor het concert. Teveel teveel teveel…. Leeg. Hartkloppingen, beven over je hele lijf… Zo kan ik niet spelen… Maar je hebt een engagement aangegaan, dat je onmogelijk kan laten vallen. 

Hoe klim je op die berg? Op die Mount Everest die voor je opdoemt? Met slecht weer aan de top? Rukwinden, spookstemmen die in je oor suizen tijdens de beklimming: je kan het niet. Je bent het niet waard. Je betekent niks. Wat je ook doet, it’s no use. Je zal het om zeep helpen, en goed ook. Zou je niet gaan slapen? Slapen, slapen, ik wil slapen……

….

Maar dan. Broers. Mijn sherpa’s… Huil maar, dat mag. “Ge zijt ’t endend hé broere….”, Kom hier, dat ik je vastpak. Geef die zware versterker maar aan mij. Een aai over je rug in het passeren. Take it easy, we doen het kalm aan, en we pakken wel over als het nodig is… Ik ben uitgeput, leg me op een bank…. ik voel de handen van mijn broer op mijn hoofd, als zalf na een pijnlijke val. Ik zie een knipoog van een ander: we’ll make it, together. Ik voel me schuldig, een idioot. Maar zij vinden dat niet, zij aanvaarden. En… ze dragen.

We komen op, en na de eerste aarzelende noten voel ik me zò thuis, zò veilig, zò overspoeld met dankbaarheid… En met elke noot die we spelen voel ik mezelf opgetild worden. De warmte van het publiek, de verstolen knipoog van een broer alhier, een opgestoken duim van een broer aldaar, naar mij… En het ongelooflijk warme gevoel van onvoorwaardelijke liefde dat me laaft. In de zaal zitten mensen die mij steunen, vanuit hun hart, die weten dat het moeilijk is. Mijn lief, mijn kinderen, de moeder van mijn kinderen, mijn schoonzussen, mijn compagnon de route: Jochen…. 

Ze zijn daar, en ze willen dat het lukt. En het lukt, en hoe…. Ik krijg nog tranen in de ogen als ik eraan terugdenk… En ik denk: Maar DIT pakken ze me niet meer af. En DIT had ik niet gekund zonder hen…. Ik voel me zò dankbaar, ook na alle liefdevolle hugs, en zoveel positieve reacties nadien… Het is alsof je je even Lazarus voelt. Ik was dood, maar ik leef weer….

De commentaren nadien, over de warmte die mensen voelen tussen ons gevijven, daar op dat podium, verwonderen me vaak, en zetten me ook met de voeten op de grond…. Het is niet overal zo, en er zijn veel mensen die dat niet kennen. 

Ik weet verdomd goed aan wie we dat allemaal te danken hebben… Onze ouders, die ons altijd aanvaard hebben ZOALS WE WAREN. Zij keken naar ons, naar òns, en niet naar zichzelf, toen ze ons opvoedden (en opvoeden 😉)… Misschien hadden ze zelf verwachtingen, maar dat hebben ze ons nooit laten merken. Ze stonden naast ons, niet boven ons. Wij waren vrij. “De gedachte is vrij”, was een fundament in onze opvoeding. We mochten anders zijn, worstelen met dingen, onze eigen stomme fouten maken… Ze waren er altijd, als het nodig was. En nog steeds. 

Ik heb de neiging om op een toren te gaan staan en te schreeuwen aan alle ouders: LAAT JE KINDEREN VRIJ! Kijk naar hen en zie wie ze zijn. Denk daarbij niet aan jezelf en hoe jij de toekomst gezien had voor je kind. Het is menselijk dat te doen, maar het levert niks op. Je eigen verwachtingen zijn alleen maar struikelblokken voor je kind. Want je kind zal er altijd over vallen, of ertegenaan lopen, en er uiteindelijk toch niet kunnen aan beantwoorden.

Wil dat zeggen dat je niks te zeggen hebt? Nee. Wil dat zeggen dat je alles zomaar moet aanvaarden van je kinderen? Nee. Een ouder moet zijn kind begeleiden. Het is een verdomde plicht, als je kinderen op de wereld zet. Maar het is nét doordat wij een onvoorwaardelijk respect gekregen hebben voor ons eigen zoeken,  vàn onze ouders, gedurende onze hele jeugd, en ook daarna, dat wij in the end zo’n concert kunnen spelen. En zelf datzelfde respect voelen tov onze ouders. En 800 mensen blij kunnen maken. Het is net daardoor dat wij elkaar nooit veroordelen, hoe anders we ook zijn. Dàt is onvoorwaardelijkheid. En dat is zinvolheid, op het allerdiepste niveau van het leven.

Geen enkel mensenleven is volmaakt, perfect. Maar ik heb als kind altijd mezelf kunnen en mogen zijn. Ik heb mogen vallen en opstaan, struikelen en rechtkrabbelen… Uiteindelijk, op de grens van het leven, waar ik nu al een tijd sta, is het dàt wat je kracht geeft, en de mogelijkheid om voetje voor voetje altijd terug een beetje uit die schier bodemloze  put te kruipen.

Ik ben gedragen.

Zie elkander graag.

Takkewijf

Ik zit aan tafel met mijn broers, de geluidsman en een spreker, in een vergaderzaaltje in het Jan Ypermanziekenhuis. We luisteren straks met onze muziek een symposium op ter gelegenheid van 20 jaar palliatieve in het ziekenhuis. Mijn broer is er hoofdverpleger, geliefd en gerespecteerd, dat voel je er meteen. Ik denk terug aan zeven jaar geleden, toen ik nog werkte, me amuseerde op mijn werk, elke dag toch ergens iets betekende voor “de maatschappij”, net zoals mijn broer zoveel zin geen aan zoveel levens… En ik rouw om dat leven.

Terwijl er gepraat wordt over en weer aan de tafel,  voel ik mijn maag ineenkrimpen, mijn hartslag gaat met 50 de hoogte in, en blinde paniek slaat toe: “Ik kan dit niet”. Ik zeg niemand iets, verberg het uit alle macht. Wat zou het nut zijn het te laten zien? Maar vanbinnen is het mayhem…

Eerder deze week zijn mijn bloeduitslagen duidelijk verslechterd. Ineens staat de dreiging als een mammoet in de kamer van mijn leven. En ik probeer. Probeer niet te plooien, mij niet te laten doen. Ik denk aan de rust en kalmte die ik had in het begin, bij het toenmalige besef dat alles snel voorbij zou zijn. Ik zoek ernaar, naar die rust, want ik weet dat die ergens in mij verscholen zit. Ik probeer de kanker uit te dagen: “Bring it on, bitch. “

Mijn kanker, mijn Lilith, is een takkewijf. Donker en verleidelijk, machtsspelletjes spelend, met een eigen, onverbiddelijke, wispelturige wil. Achterbaks ook. Elke keer als je denkt dat je even rust hebt, komt ze voor je ogen met haar blote kont en blote borsten draaien, dansen, en elke keer als je denkt: “ok, ik gà met je dansen, laat je in die dans leiden door de man die ik ben…”, verdwijnt ze spottend in de coulissen van je leven, voor even. Ongrijpbaar, gemeen, kleinerend en vernederend. En loerend naar je volgend kwetsbaar moment.

In de warme sfeer van het symposium spreken mensen over hun streven naar een betere palliatieve zorg, hoe het nog beter kan. Er passeren cijfers op de obligate Powerpoints, geschiedenis, getuigenissen… Ik zie foto’s passeren uit de geschiedenis van de palliatieve dienst, foto’s – onder andere – van Yoeri, die op de palliatieve eenheid gestorven is, jaren geleden, in tempore non suspecto, die ik toen mateloos respecteerde en bewonderde voor zijn moed en openheid over de ziekte die hem toen gedood heeft, en die iedereen deelachtig maakte van zijn stervensproces. Ik voel me alleen, fundamenteel eenzaam, deep down. Heb het gevoel dat het over mij gaat, over mijn misschien heel nabije toekomst. Lilith besluipt me weer. Serpent. Ik speel erbarmelijk slecht, ik denk: “dit doe ik niet meer, het komt allemaal veel te dicht”… terwijl ik weet dat als wij de volgende keer gevraagd worden voor dergelijk evenement, ik niet nee zal kunnen zeggen. Er zijn immers niet zoveel kansen om iets te betekenen voor anderen, als je “uitgerangeerd” bent…

Ik denk aan mijn kinderen, vraag me af of ze gelukkig zijn in hun leven, of ze zullen gelukkig zijn nà mijn leven… Zijn er dingen ongezegd? Ben ik een goede vader (geweest)? Weten ze hoeveel ik van hen houd? Weten ze hoeveel uren van de dag ik aan hen denk, wens dat ze een goed leven hebben? Is hun mama, met wie ik mijn schatten op de wereld gezet heb,  gelukkig?

Ik denk aan de voorbije jaren, sinds mijn diagnose – die mijn hele leven op zijn kop gezet heeft – en de gevolgen voor de mensen die ik vanuit het diepste van mijn hart onvoorwaardelijk liefheb. Aan dingen die ik niet kan terugdraaien, en ook niet wil terugdraaien, omdat ik besef dat ik niets anders kon en wou doen dan wat ik gedaan heb. Ik heb vaak gezegd – sinds ik ziek geworden ben – “Life is a bitch, but a beautiful bitch”. Ik besef dat ik nu denk: “Kanker, Lilith, is a bitch”. Tout court. 

Het is moeilijk om te beseffen dat ik al zes en een half jaar leef zonder een toekomst die verder reikt dan pakweg drie maanden; al die tijd geleefd heb zonder verre plannen, en nu te weten wat er mogelijk was geweest als ik dat wel had gedaan.

Heb ik spijt? Nee. Op een of andere manier zou ik voor hetzelfde parcours kiezen mocht ik het mogen herdoen. Ik heb geen spijt van ook maar één levensfase. Niet van mijn jeugd, niet van mijn huwelijk, niet van mijn diagnose en ziekte. Maar nu is het even genoeg geweest. Ook dàt is kanker hebben. Uitgeput geraken van het voortdurende verweer tegen die teef die je de bodemloze afgrond wil in sleuren. Moe zijn van het constante alert zijn. Van het vechten tegen het bewustzijn dat je au fond eenzaam bent met je vloek. 

Er is een troost… Er zijn mensen waarvan ik wéét dat ze me onvoorwaardelijk liefhebben. Waarvan ik weet dat ze me willen helpen, en misschien niet eens weten hoe. Maar dat is niet erg. Ik weet het, en dat is ergens genoeg. Het is het enige wat telt. Op dit moment is dat de enige vestingwal die me uit de klauwen van die aanhoudende belegering door dat tirannieke, hebzuchtige onderkruipsel van een Lilith houdt. Ik weet dat ze het uiteindelijk zal halen, maar ik misgun haar het plezier van de overwinning. Ze kan mij doden, maar niet mijn liefde.

Daar. Bring it on, takkewijf.

Allah is groot, en Mohamed is zijn profeet

Ik lees in mijn krant het interview – twee jaar na de aanslagen – met Mohamed El Bachiri. Je weet wel, auteur van het boek over zijn “Jihad van liefde”, geschreven na de vreselijke dood van zijn vrouw Loubna. Ik lees over de vertwijfeling, de eenzaamheid, die schuilt achter zijn “publieke” leven… Ik voel zelfs enige verwantschap, empathie, als ik lees hoe hij dagelijks worstelt met zijn eigen verlies, achter de schermen, als niemand kijkt. Ik zal de enige niet zijn.

Ik lees ook wat een vriendin over hem zegt: “er is iets geknakt”… En ik heb  zin om in de wagen te springen en naar hem toe te rijden. Om hem op een pint te trakteren – als hij die al mag drinken 😉

Toevallig zag ik recent Humanity, waarin Ricky Gervais met zijn ongeëvenaarde fijne grofheid de mensheid op de korrel neemt. Zonder een blad voor de mond te nemen, of course. De link? Als je tussen de regels “luistert”, hoor je iemand die iets te vertellen heeft over tolerantie, vrijheid van geest, de domheid van de mensenkudde, of laten we dat onwetendheid noemen, of angst om de eigen zekerheid te verliezen.

We hebben zo’n mensen nodig. Mensen die ons een schop voor onze reet geven en ons doen schrikken, op een positieve manier. Mensen die ons tonen dat het mogelijk is om op onze eigen manier onszelf te blijven temidden de stortvloed van informatie en beïnvloeding die we dagelijks over ons hoofd krijgen uitgegoten, en die ons voorzegt wat we best denken en hoe we best leven.

We mogen best wel onszelf blijven 🙂

Terug naar Mohamed. Ik zou hem willen zeggen: deze wereld heeft je nodig. Je slaat ervan achterover dat een mens als Mohamed in de vreselijkste situatie, de meest onrechtvaardige wreedheid die een mens kan tegenkomen, er toch in slaagt te blijven spreken over de liefde. Ik zou hem ook willen zeggen: Mohamed, ik weet dat je eronderdoor gaat, dat het dagelijkse leven voor jou en je kinderen soms een hel is. En je mag breken, je mag knakken, je mag eenzaam zijn en verloren. Maar weet dat we profeten als jij nodig hebben. En hoe eenzaam je ook bent, en for what it’s worth, ik ben blij dat je je stem laat horen, in weerwil van alle redenen die je hebt om een boodschap van wraak en vergelding te verkondigen. Je doet het niet, en daarom ben je voor mij een moderne profeet van je God.

In mijn eigen leven doet het er niet toe welke God, zolang het maar over liefde gaat.

Wie het woord profeet in de mond neemt, denkt meestal aan figuren uit een ver verleden, die met mythische daden en woorden “ooit” ergens geleefd hebben, en een symbool geworden zijn, publiek eigendom,  dat hun menselijkheid overstijgt. Maar elke profeet heeft zijn eigen menselijke lijdensweg afgelegd.  Lees er de biografieën maar op na. In de grootste vertwijfeling en de vreselijkste gebeurtenissen zijn zij het die toch , en ondanks rampspoed, overeind krabbelen en ons tonen dat we op een andere manier kunnen kijken en leven.

Maar waarom zouden er nu plots geen profeten meer zijn? Anno 2018? Kleine en grote mensen die een positieve boodschap verkondigen aan een gek geworden wereld…

Dus zeg ik: Wat er ook met je gebeurt, Mohamed, hoe gebroken je je ook voelt, blijf spreken. Je boodschap is er één van goud, en hoop op een liefdevollere samenleving. Jouw gemis kan niemand opvullen, maar jij houdt de liefde van je leven levend. De mooiste blijk van liefde die de dood overstijgt. Daar kunnen velen van ons van leren, kracht uit putten bij tegenslagen, en door geïnspireerd worden.

Dankjewel voor je “jihad van liefde”. De wereld wordt er weer wat mooier op.

 

 

Loslaten in verbinding, en de onbetaalbaarheid van tijd

Elke diagnose van kanker is een potentieel doodvonnis. De ene al wat acuter dan de andere. In mijn geval was het klaar en duidelijk: ongeneeslijk, stadium IV, statistisch gezien een gemiddelde overlevingskans van 16 maanden. No time to waste…

Nu zijn we meer dan vijf en een half jaar verder, en ik ben er nog. Ik heb al zoveel tijd gekregen. Nog steeds ongeneeslijk, nog steeds stadium IV, in een worst case scenario kan het op enkele weken afgelopen zijn. Dus… niets is zeker. Dat is de enige zekerheid.

Sinds het begin van mijn ziekte, sinds dag één zelfs, ben ik nooit alleen geweest om ze te dragen. Dat betekent niet dat ik geen eenzame en wanhopige momenten heb gehad, en heb. Die zijn er ook. Maar ik voel me met zoveel mensen verbonden dat ik geen doodsangst heb. Nooit gehad, die angst om te sterven. Wel verdriet, paniek omdat de wereld zoals je die tot dan toe kende, instort als een kaartenhuis. Even wennen… zacht gezegd.

Het spreekwoord is waar: gedeelde smart is halve smart. Ik kan me niet voorstellen dat ik de man zou zijn die ik nu ben, als ik in mijn verdriet niet gedragen was door geliefden. Maar ik heb ook het geluk dat ik een veilig nest heb gehad als kind, en dat ikzelf ook in staat ben geweest mijn kwetsbaarheid in volle vertrouwen open en bloot aan de wereld rond mij te tonen. Niet iedereen heeft dat geluk.

Ik zie veel mensen in een gelijkaardige situatie – met kanker – die dichtklappen, die angst hebben en er niet kunnen, durven over praten… Ik mag er niet aan denken hoe eenzaam en troosteloos dàt moet voelen.

We leven in een maatschappij waarin tijd omgerekend wordt in euro’s, waarin geen plaats is voor opgevers, zwakkelingen, die het “streven naar” opgegeven hebben, of zich niet staande kunnen houden onder de maatschappelijke druk om te slagen. Maar laat dat nu net zijn wat zoveel kankerpatiënten op hun dak krijgen. De ziekte stript je van alles. Van je gezondheid, je werk, je contacten, en uiteindelijk – vaak – van je leven. Je mag helemaal herbeginnen, bij wijze van spreken. Sommigen krijgen door de snelheid van hun ziekteproces niet eens de kans en de tijd om te ‘herbeginnen’. Anderen weten geen zin meer te geven aan het leven. Velen zijn letterlijk doods-bang. En elke kankerpatiënt herkent dat bij medepatiënten. Daarom hoeven wij in de “kankergemeenschap” ook niets uit te leggen aan elkaar. We weten het.

Ik heb van bij het begin gezocht hoe ik aan mijn ziekte kon zin geven. De ziekte op zich is zinloos. De vraag “waarom ik?” is in mijn ogen irrelevant. Het is aan mijzelf om zin te geven. En de enige manier waarop dat kan is in verbinding met anderen. En… verbinding heb je alleen als er twee of meer partijen in betrokken zijn. Ook ikzelf. Het is ook aan mij om met een open blik naar de wereld te kijken en mijn hand uit te steken. Anderen kunnen geen verbinding maken met mij als ik een muur om me heen bouw en niemand binnenlaat. En wat gebeurt er nu net? Als ik me openstel, krijg ik in het kwadraat dezelfde openheid terug…

Op een of andere manier heb ik onmiddellijk het gevoel gehad: alles valt weg, maar er is nog de liefde. En die is immaterieel, en dus onvatbaar. Ergo: niemand kan die van me afnemen. In die zin werd mijn leven herleid tot de essentie, en viel al het overbodige weg: materiële welstand, streven naar status, plannen maken in de verre toekomst, enz… In één klap: weg, niet meer van belang.

En tal van vrienden, contacten, kennissen die al lang uit mijn leven verdwenen waren, waren er opeens terug bij het horen van het nieuws. Mijn eigen familie werd hechter. Decorum viel weg, ik omhelsde iedereen zonder mij af te vragen: hoort dat nu wel? Maar ik wou me dat niet meer aantrekken, ik wou die verbondenheid voélen, en tonen. En juist dàt zorgde ervoor dat de verbondenheid groeide en sterker werd. Kennissen, collega’s, werden vrienden, vrienden werden geliefden, alles werd intenser, en is dat nog steeds.

In die zin was en is mijn kanker een geschenk: het was een trigger om aan de oppervlakte te brengen wat meestal, door onze maatschappelijke geplogenheden, niet aan de oppervlakte komt. Het is zo’n cadeau om te ervaren dat je omhelsd, geknuffeld, gekust wordt door mensen die onverbloemd tonen dat ze van je houden en met je meeleven. Het is een heerlijk bevrijdend gevoel dat je iemands hand kan vastpakken, alleen maar omdat je contact wil, en met gebaren vaak beter kunt zeggen: je bent er, ik ben er blij om, en ik voel me verbonden met je.

Zoals alles is dit echter niet alleen maar een mooi verhaal. Kanker was ook de trigger die geleid heeft tot mijn scheiding na bijna een kwarteeuw huwelijk. Door kanker ben ik ook mensen kwijtgeraakt langs het parcours. Je zou het bijna kunnen vergelijken met de biologie van de hersenen. Als je een dreun voor de kop krijgt, sterven hersencellen en zenuwverbindingen af, en het lichaam probeert dat te herstellen door andere, nieuwe verbindingen aan te leggen… Maar er blijft “collateral damage”, verlies.

Maar ook hier weer: als je het niet alleen moet doen, allemaal, dan kàn je herstellen. Als je zelf ook open en kwetsbaar spreekt en luistert naar anderen, krijg je voeding, zuurstof om door te gaan. Een mens die zich afsluit kan niet groeien, kan geen rijker mens worden. Een mens die niet van tijd tot tijd een spiegel voorgehouden wordt, die niet af en toe een stamp onder zijn achterste krijgt, van iemand die hem of haar liefheeft, wel te verstaan, kan niet verder ontwikkelen. Daarvoor heb je anderen nodig, én de wetenschap dat die van je houden, op welke manier dan ook. Liefde heeft vele vormen en gedaanten. Je lief, je kinderen, ouders, broers, zussen, vrienden, zelfs de winkelgerant of apothekeres die je regelmatig ziet en die van je situatie afweet, toevallige ontmoetingen…. Vaak voel ik in no time zelfs bij vreemden een soort liefde en verbondenheid, zonder dat ik die helemaal kan omschrijven.

Waar ik om zo te zeggen met mijn gat in de boter gevallen ben, is op het vlak van mijn behandeling. Jochen Decaestecker van AZ Delta is, samen met zijn team, van het allergrootste belang in de verwerking en omgang met mijn ziekte. Het is schrijnend te horen dat zoveel mensen geen band hebben met hun behandelend arts, of het gevoel hebben dat alles boven hun hoofd gebeurt, dat ze een nummer zijn, dat de dokter geen tijd heeft, eigenlijk… Ik heb dat nooit gehad. Ik moet wel vermelden dat ikzelf van meet af aan duidelijk gezegd heb dat ik àlles wou weten. Van bij het begin was mij duidelijk dat Jochen een ongelooflijk respect aan de dag legt voor mij als mens, en hij is dan ook een echte compagnon de route geworden.

Vooreerst heb ik nooit het gevoel dat mijn consult afgehaspeld wordt, hoe druk hij het ook heeft. De tijd die ik bij hem ben, is hij bij MIJ. Vervolgens checkt hij altijd af bij mij hoe mijn context is op niet-medisch vlak. En bovendien is hij niet te beroerd om toe te geven dat hij eens twijfelt, of iets niet weet. Zelfs op suggesties van mijn kant omtrent mogelijke behandelingen gaat hij ernstig in, en neemt die mee in de overwegingen. Ik heb nooit ofte nimmer het gevoel dat ik bij ‘meneer de dokter’ zit. En ik krijg altijd het laatste woord omtrent wat moet gedaan worden.

De sleutelwoorden zijn respect en tijd. In de onzekerheid van de eerste dagen zei hij me al dat ik gerust een 2de opinie kon vragen in een ander ziekenhuis. Als die de diagnose bevestigde, zou dat hun diagnose bevestigen, en indien niet, dan zouden ze er kunnen van leren…

Ik kreeg ook vanuit verschillende hoeken raad om alternatieve dingen te doen, zoals kruiden nemen, homeopathie enz… Ik checkte dat even af bij hem, en zijn antwoord was: “ik ben niet geschoold in deze materie, dus kan ik er weinig over zeggen. Je bent vrij om andere wegen te proberen, maar check wel even af bij mij of die niet tégen de chemotherapie ingaan. “

Zijn houding heeft bij mij onmiddellijk een rotsvast vertrouwen teweeggebracht, en ik heb met het grootste gemak beslist dat ik alleen, en enkel alleen, op hém zou vertrouwen. Dat maakte het me makkelijk om om te gaan met al die raad en adviezen die ik kreeg, en die zeer verwarrend kunnen zijn. Ik wist me veilig, en hoefde daar geen energie meer in te stoppen. Het gaat zover dat ik het hem van m’n leven niet kwalijk zou nemen mocht hij een zogezegde fout begaan die mij mijn leven kost (of het verkort).

Ik zie hem nog steeds elke veertien dagen, bij mijn chemokuur, en hij is voor mij een baken van rust, ook als het slecht gaat. Net omdat hij zo open en eerlijk is, zelfkritisch, en menselijk als geen ander. Als mensen mij zeggen: ‘blijven vechten!’, dan antwoord ik altijd: ik vecht niet, mijn dokter vecht tegen mijn ziekte, ik richt mij op alle andere belangrijke dingen… en ik vind het belangrijker naar rust te zoeken ipv mijn leven te laten beheersen door doodsangst en onzekerheid. Sterven zal ik toch.

Het is van onschatbare waarde voor mij om zo’n arts te hebben, omdat het me veiligheid biedt. Niet op vlak van de uitkomst van mijn ziekte, maar omdat ik zeker ben dat ik niet alleen sta in de medische én emotionele strijd, en als persoon ook gerespecteerd word.

Ook de verpleegkundigen van het dagcentrum, de trajectverpleegster, de psychologe, zijn mensen die ik in de afgelopen jaren heb leren kennen als professionele, en toch o zo menselijke en empathische steunpilaren. Het is raar, maar soms heb ik het gevoel thuis te komen op de afdeling. En ook hier gaat het over respect en tijd. Al die mensen staan onder druk, onder grote werkdruk, en toch slagen ze erin om vriendelijk te zijn, persoonlijke aandacht te geven, even te babbelen, checken hoe je je voelt… En dat is éven belangrijk als de medische taak die ze uitoefenen. Het gevoel hebben dat iemand, hoe kort ook, even tijd maakt of neemt om “bij je” te zijn. Ik herinner me zo mijn eerste chemodag. Er was een ervaren verpleegster van dienst. Die vertelde me tot in detail wat ze aan het doen was en waarom, wanneer ze zou terugkomen als ze even wegging uit de kamer, waarom ze een verpleegkar in de kamer zette, waarvoor elke baxter diende, enz…

Door haar collega’s werd ze daarvoor scheef bekeken indertijd (dat ving ik op uit gesprekken “op de gang”), omdat “ze teveel kletste”. Begrijpelijk, onder die grote werkdruk. Maar voor mij als patiënt was het een zegen. Ik moest me geen enkele vraag stellen, ik wist op elk moment exact wat er gebeurde en waarom, en dat heeft mijn onzekerheid en angst nagenoeg volledig weggenomen die dag. Onbetaalbaar.

Een tijd geleden organiseerden Jochen en zijn team een overleg over hoe ze het zorgpad in het ziekenhuis konden verbeteren voor kankerpatiënten. Ze vroegen patiënten en ex-patiënten om hun mening, gevoelens, suggesties… Ik werd mee uitgenodigd. Ook dat is respect. Je telt mee. Uit het overleg sprong vooral naar voor dat mensen die “genezen” zijn ineens in een zwart gat vallen, omdat ze de dokter en verpleegkundigen niet meer regelmatig zien, en dus alleen met hun onzekerheid verder moeten. Als kankerpatiënt blijft er, ook als je “geneest” toch een zwaard van Damocles boven je hoofd hangen, want je kan hervallen… En daar zie je het weer… in dat zwarte gat missen mensen vooral de verbinding met hun voormalige medische steunpilaren. Reden te meer om voldoende initiatieven te nemen tot nazorg. In dees dagen wordt alles omgerekend naar “werkuren” en wat die kosten, en vooral: hoe daarop bespaard kan worden. Maar wat de beleidsmensen achter hun bureau vergeten is dat juist “tijd maken” zoveel problemen, zorgen en moeilijkheden ACHTERAF kan voorkomen. Iemand die op de juiste manier geïnformeerd wordt, die het gevoel heeft dat zorgverleners echt om hem/haar geven, zal achteraf misschien geen therapie meer nodig hebben om verder te kunnen… En ja, beste bestuurslui, zo kan je ook besparen!

Het is een beetje ironisch en paradoxaal dat juist dié ziekte, die je uiteindelijk dwingt om alles los te laten en die het begrip “tijd” zo extreem een andere invulling geeft, zoveel verbindingen in gang zet, creëert. Net zoals het ironisch is dat het loslaten in bepaalde opzichten moeilijker wordt, net omdàt je je zoveel meer verbonden voelt met zoveel mensen. En daartegenover is het ook de verbondenheid met de anderen die je in staat stelt om alles makkelijker los te laten… Hm. Een breinbreker…

Het leven is een schouwtoneel…

Rollen… We spelen ze allemaal. We nemen zelf rollen aan, krijgen er andere toebedeeld door anderen, sommige rollen ontstaan als vanzelf, sommige door omstandigheden… Er zijn veel parallellen met het leven zelf.

Waarom begin ik over rollen… ? Omdat je vroeg of laat de balans opmaakt van je eigen leven, en omdat de metafoor van het rollenspel voor mij duidelijkheid en rust schept.

Kijk naar een theatervoorstelling, een film. Kijk naar de acteurs, actrices… Ze spelen een rol. In elk stuk spelen ze een andere rol bovendien. Maar het spel zal niet echt zijn, niet diep gaan, niet beklijven, als de acteur niet put uit zijn éigen reservoir van gevoelens, gedachten, en dingen die in hem of haar zitten. Je kijkt naar de rol, en eigenlijk weet je niet wat in de acteur leeft, diep vanbinnen. Het is ook zo in de showbizz. Je onthoudt acteurs en actrices in hun rollen, en meestal niet als mens.

Ik vergelijk het met ons aller leven. Ook wij spelen een rol, al naargelang het stuk waarin we meedoen. De rol van collega, ouder, vriend, broer, zus, familie, kennis, lief, kind, begeleider, baas, ondergeschikte, met nog oneindig veel bijkomende schakeringen en mogelijkheden…

En vanwaaruit komen die rollen? Juist, uit jezelf. Achter alle rollen die we spelen zit één en dezelfde persoon, ik. En wie is de enige die die me in zijn volledigheid kent? Ik. Er is een ik, een soort centrum, een vaste kern, die niemand ooit helemaal ziet.

Waarom vind ik dat belangrijk? Omdat het me helpt dingen te relativeren. We hebben zo vaak moeite met dingen, afijn, ik toch. Zo vaak voelen we ons tekortgedaan, zijn we kwaad, aangevallen, verdrietig om dingen die anderen ons aandoen. Je ziet het zo vaak: ouders die verdriet hebben omwille van hoe hun kinderen zich tegen hen verzetten. Werknemers die zich onheus behandeld voelen door hun baas. En omgekeerd 🙂 Relaties die stuk springen omwille van kwetsuren die geliefden elkaar toebrengen. Kinderen die boos zijn omdat hun ouders hen dingen ontzeggen… we kunnen lang doorgaan.

Zoveel redenen om ongelukkig te zijn. Maar… ik kijk ernaar als naar een toneel. Ik speel verschillende rollen in mijn leven. En in sommige van die rollen duiken conflicten op, wonden, kwaadheid, wrok, omdat anderen je aanvallen of kwetsen. Ik denk, goed en welbeschouwd, dat ik een onderscheid kan maken tussen de rol, en de kern die erachter zit.

Als ik in conflict zit met iemand, eender wie, dan gebeurt dat conflict in “mijn rol als…” tegenover de ander. Niemand heeft me ooit aangevallen of gekwetst in mijn kern (al heb ik al vaak gedacht van wel). Omdat die kern àchter alles zit, ergens op een stil punt vanbinnen, onveranderlijk. (NB; ik denk ook dat dat de reden is waarom ik in mijn hoofd 18 blijf, hoewel ik er 50 ben)

Ik kan mijn rol slecht spelen, een black-out hebben, de mist ingaan, en erop oefenen. Oefenen op elke rol die ik speel. Maar de mens in mij, achter de acteur, blijft vrij en verborgen. Eens je dat weet, kan je als het misgaat altijd terugvallen op die kern. Daar ben je alleen, geliefd en gerust. Als één van mijn kinderen zich kwaad maakt op mij, dan zijn ze niet kwaad op mij als Sam, als mens, maar op hun vader. En dus – voor mij – op mijn rol die ik speel als vader. Dat helpt om niet in zelfmedelijden of paniek te vervallen “omdat je het fout hebt gedaan”. Geen enkele rol die je speelt kan perfect zijn. Zelfs topacteurs spelen elke voorstelling van eenzelfde stuk de rol ietwat anders.

Hoe vaak zijn we niet verrast of verbaasd als we mensen die we maar in één rol kennen, plots in een andere rol zien, bijvoorbeeld een collega die je leert kennen nà de werkuren… Of je ouders als je “volwassen” bent, en de verhoudingen veranderen…

Net als in het theater is er nog een gelijkenis met het leven. Hoe minder publiek je hebt in een voorstelling, in een zaal, hoe intimistischer een stuk wordt. Sommige rollen speel je dan ook voor een zeer beperkt publiek, de meest kwetsbare rollen speel je niet voor een soapkijkerspubliek… Hoe kleiner en intiemer de setting, hoe meer risico je loopt om je rol te verwarren met die kern vanbinnen. De band ouder-kind is zo’n voorbeeld. De band tussen geliefden ook. Hoe intiemer de rol, hoe dichter ze bij je kern komt, hoe meer je gaat putten uit die kern…

Niettemin zijn ze niet hetzelfde, de rol en de kern. Dàt voor ogen houden kan bevrijdend zijn. Beseffen dat achter iedere rol die iemand op een bepaald moment, in een bepaalde context, speelt en toont, er een mens zit, een schone mens, waarvan je slechts een deel ziet. En beseffen dat een ander òòk maar een deel ziet van jezelf. Beseffen dat we allemaal wel eens falen in het vertolken van een rol, jij en ik, en dat dat eigenlijk niet zoveel zegt over de kern van de mens die erachter zit…. de mens die het waard is graag gezien te worden. Zijn we dat niet allemaal?

 

Leef je dag als was het je laatste… of niet?

Iedereen heeft het wel eens… van die momenten waarop je ineens last hebt van dingen die anderen doen. Dingen die je niet verwacht, niet wil, dingen die je eigen plannen doorkruisen, of je gemoedsrust wegnemen… Wel ja, ondergetekende is ook zo’n geval, bij tijden. En het kan met iedereen zijn; je partner, je kinderen, familie, vrienden, een kennis, een vreemde….

Het adagium luidt: leef je dag elke keer opnieuw alsof het je laatste is… In zekere zin doe ik dat nu al vijf en een half jaar… Het kan immers snel keren, het kan in een vingerknip afgelopen zijn, mijn bobijntje. Daar heb ik geen controle over. En één van de vraagstukken die me soms bezighouden in verband met mezelf, is het gegeven dat je weet dat je ergens “op de rand balanceert”, en je toch druk kunt maken over pietluttigheden. Frustrerend!

Vorige week zat ik met koffie en een sigaretje ’s morgens mijn krant te lezen en de kruiswoordpuzzels op te lossen. En vanwaar die gedachte kwam, ik zou het niet weten. Misschien omdat ik aan het puzzelen was, een mooie metafoor voor het leven? Ik dacht ineens: draai het eens om! Leef je dag alsof het de laatste dag van de ander is.

Die gedachte bracht me op slag een immense rust. Hoeveel dingen worden plots onbelangrijk als je ze in dat licht gaat zien? Hoe makkelijk wordt het niet om mensen dingen te vergeven? Hoeveel ruimte krijg je niet in je hart en hoofd voor mededogen en begrip, voor een soort teder beschouwen?

Kijk naar de ander met de wetenschap dat hij of zij morgen kan weg zijn, onherroepelijk weg, en het is verwonderlijk hoezeer je liefde kan voelen ontluiken en groeien. Verwonderlijk ook hoe je ineens beseft dat je eigen verongelijktheid, je eigen irritatie, je wrevel, je kwaadheid, eigenlijk bijna geen grond heeft. Ik vind het geen pessimistische gedachte. Het hoeft geen krampachtig gedoe te zijn om jezelf te forceren tot over je grenzen heen. Zoals ik het ervaar, hoef je de gedachte maar éven tegen een “probleem” met een ander af te zetten, en het probleem wordt onmiddellijk zoveel kleiner, of op zijn minst anders.

Het besef van wat het leven eigenlijk écht waard is, begint te groeien. Het besef hoe dankbaar we kunnen zijn, bijna moeten zijn, om dat leven dat zo broos is. Niet alleen je eigen leven (waarop je je vaak blind staart als je zo ziek bent als ik), maar ook dat van de ander. Het besef dat het leven zo’n cadeau is, dat het o zo stom zou zijn om zodanig in je eigen negativiteit te zitten zwelgen dat je ’t cadeau niet meer ziet.

Het helpt met loslaten. Jezelf loslaten, en de dingen die je beklemmen, die je als een soort zelfgemaakte kluisters om je eigen hart geslagen hebt.

Kijk naar de ander, alsof die er morgen niet meer zal zijn, en je breekt je eigen boeien.